|
Buitengerechtelijke
kosten art. 6:96 BW.
De
basis voor de buitengerechtelijke kosten is vastgelegd in artikel 6:96
lid 2 onder c BW (Burgerlijk Wetboek). Deze bepaling houdt in dat als
vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking komen de redelijke
kosten ter verkrijging van schadevoldoening buiten rechte.Op het moment
dat het alsnog tot een procedure komt, is het de rechter die bepaalt
welke kosten wel en welke kosten niet onder dit artikel vallen. Dit
vloeit voort uit een arrest van de Hoge Raad in 1987:”Een en ander
leidt ertoe te aanvaarden dat redelijke kosten van rechtsbijstand ter
vaststelling van schade en aansprakelijkheid mede voor vergoeding in
aanmerking komen tenzij het tussen partijen tot een rechtsgeding
volgt…”.
In
het schadevergoedingsrecht geldt het beginsel dat de benadeelde zoveel
mogelijk in die toestand wordt gebracht waarin hij zou verkeren als het
schadeveroorzakende feit achterwege was gebleven. Als hij dus bijstand
aanvraagt om deze situatie te beoordelen, dan komen deze kosten ook voor
de aansprakelijke partij. De kosten zouden anders immers niet zijn
gemaakt.
Om
voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten in aanmerking te komen
moet het redelijk zijn geweest om deze kosten te maken en moet de omvang
daarvan ook redelijk zijn.
Want,
waarom zou een consument “gestraft” moeten worden door het halen van
zijn recht door kosten die hiervoor nodig zijn niet vergoed te krijgen.
Er is immers sprake van een groot machtsverschil tussen enerzijds een
grote maatschappij met veel financieel vermogen en een goed toegeruste
juridische afdeling ten opzichte van een consument.
Dat
de consument dan ook bijstand aanvraagt is redelijk. En dat de consument
hiervoor volledig schadeloos gesteld wordt als hij alsnog zijn recht
haalt en de maatschappij ten onrechte schadevergoeding heeft
geweigerd, is ook redelijk.
|